auteur en boek

 Over de auteur

 

 

 

Willem de Bruin werd geboren op

3 januari 1951 in Oosterbeek.

 

 

Studeerde aan de School voor de Journalistiek in Utrecht en is sinds 1973 werkzaam als journalist en sinds een kleine tien jaar ook als schrijver. De eerste jaren werkte hij bij het dagblad De Waarheid, daarna was hij eindredacteur van het maandblad Milieudefensie. Het grootste deel van zijn carrière, bijna 23 jaar, was hij in dienst van de Volkskrant, waar hij begon als redacteur binnenland. Later werd hij eindredacteur van de opiniepagina en van de zaterdagse opiniebijlage. Bij   

 

zijn vertrek in 2010 was hij als coördinator van de commentaarschrijvers verantwoordelijk voor het dagelijkse hoofdredactioneel commentaar in de krant. Naast commentaren schreef Willem de Bruin voor de Volkskrant beschouwingen en  essays over een breed scala aan onderwerpen voor diverse rubrieken en bijlagen. Sinds 2010 legt hij zich toe op het schrijven van het boeken over geschiedenis. Ook leverde hij diverse bijdragen aan het Historisch Nieuwsblad. In maart 2014 verscheen bij uitgeverij AtlasContact het boek  Je moet hier zijn geweest over de vooroorlogse geschiedenis van Oosterbeek, ooit Nederlands eerste kunstenaarskolonie.

 

Uit zijn bijzondere belangstelling voor Latijns Amerika vloeide in 2017 het boek De koningin van Paraguay voort. In april 2019 verscheen zijn derde boek: De Gouden Rots, over de goeddeels vergeten geschiedenis van Sint-Eustatius. Voor de meeste Nederlanders een onbekende uithoek van het koninkrijk, maar in de achttiende eeuw het rijkste eiland van het Caraïbisch gebied. 

Uitzicht over de Benedenstad van Sint-Eustatius vanaf het hooggelegen Fort Oranje. Aan de horizon zijn de contouren van Saba zichtbaar.


 

 

 

Over zijn eerdere boeken



De koningin van Paraguay

 

Francisco Solano López, president-dictator van Paraguay, ontmoette Elisa Lynch in 1853 in Parijs tijdens een rondreis door Europa. Hij haalde haar over met hem mee te gaan naar de voor vrijwel iedereen in Europa volstrekt onbekende republiek in het hart van Zuid-Amerika. Elisa had tot dat moment een allesbehalve saai leven geleid. Reeds op zestienjarige leeftijd trouwde zij met een Franse officier met wie ze naar Algerije vertrok. Ze liep, nadat ze een affaire kreeg met zijn superieur, al snel bij hem weg waarna ze in de demi-monde van Parijs belandde.

 

Elisa’s leven nam een dramatische wending toen Paraguay in 1864 door toedoen van Francisco López in oorlog raakte met zowel Brazilië, Argentinië als Uruguay. Het mondde uit in een van de bloedigste conflicten uit de moderne geschiedenis. Vijf jaar later was het land in één groot kerkhof veranderd.

 

Terug in Europa zonk Elisa Lynch, beroofd van haar positie en bezittingen, langzaam weg in de vergetelheid. Generaal Alfredo Stroessner, die Paraguay 35 jaar met harde hand regeerde, riep haar in 1961 uit tot nationale heldin en liet de stoffelijke resten van Elisa Lynch van Parijs overbrengen naar Asunción.

 

 

 

 

Je moet hier zijn geweest

 

 

 

De Slag om Arnhem in september 1944 maakte definitief een einde aan de ‘Gouden Eeuw’ van Oosterbeek, die begon met de komst naar het dorp van een aantal landschapsschilders in het begin van de jaren veertig van de negentiende eeuw. Zij zouden de kern gaan vormen van de eerste kunstenaarskolonie van Nederland, naar het voorbeeld van het Franse Barbizon, waar al in de jaren twintig jonge kunstenaars het atelier hadden verruild voor het schilderen en plein air. Van de 'Oosterbeekse' schilders zou een aantal  later naam maken als vertegenwoordigers van de Haagse School, onder wie Paul Gabriël, Anton Mauve en Willem Maris.

 

Het ‘on-Nederlandse’ landschap van de Veluwezoom trok ook veel welgestelden uit het westen van Nederland. In hoog tempo veranderden de voorheen kale heuvels in lommerijke buitenplaatsen. 

 

Uit de inhoud




De kruitdamp van de saluutschoten die in kleine wolkjes boven de baai hing, werd door de oostenwind langzaam de Caraïbische Zee op geblazen. Wat moest hij doen?, vroeg Abraham Ravené, commandant van Fort Oranje, zich vertwijfeld af. Wat was de status van het schip dat zojuist bij het binnenlopen van de baai elf saluutschoten had gelost? En wapperde aan de mast nu de Britse vlag of niet? Dit was, concludeerde hij, een zaak voor de commandeur. Zo snel als hij kon liep hij naar het kantoor van zijn superieur. Johannes de Graaff, sinds negen weken gezaghebber van de West-Indische Compagnie op St. Eustatius en onderhorige eilanden, keek verbaasd op toen Ravené buiten adem binnenkwam en meteen van wal stak. Er was zojuist, vertelde hij, een schip binnengelopen, een tweemaster, ogenschijnlijk een koopvaarder, met een voor hem onbekende vlag in top, iets wat leek op de Britse vlag, maar dan met dertien strepen. Hij had het op de gebruikelijke wijze begroet door het neerhalen van de vlag op het fort, waarna het schip elf saluutschoten had afgevuurd. Dat had hem voor een acuut probleem geplaatst: met hoeveel schoten moest hij antwoorden? De Graaff antwoordde zonder te aarzelen: met twee schoten minder.

Zo werd op 16 november 1776 op een klein Nederlands eiland geschiedenis geschreven toen ter begroeting van het eerste oorlogsschip dat onder de vlag van de Amerikaanse opstandelingen de vrijhaven bezocht negen saluutschoten klonken. Want over één ding waren de opstandige kolonisten in Amerika en de Britse regering het eens: met deze daad erkende de Republiek zo niet de jure dan in elk geval de facto de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika. Maar was dat ook de bedoeling van De Graaff? (. . .)


De begroeting van schepen, in het bijzonder oorlogsschepen luisterde nauw. Er golden sinds jaar en dag een reeks geschreven en ongeschreven regels aangaande het aantal saluutschoten waarop men over en weer recht had. Een verkeerd gebaar kon al snel worden opgevat als een belediging van het betreffende land. Het saluut van een oorlogsschip diende altijd ‘schot voor schot’ te worden beantwoord, maar in het geval van een koopvaardijschip telde het contra-saluut altijd twee schoten minder. Anders dan bij koopvaardijschepen, waarvan de begroeting bij een bezoek aan een vreemde haven vooral een kwestie van beleefdheid was, gold een saluut aan een oorlogsschip ook als een saluut aan – en impliciete erkenning van - het land waarvan het de vlag voerde. (. . .)


Wat voor de Amerikanen goed nieuws was, riep aan Britse zijde slechts verontwaardiging op, vooral toen De Graaff in hun ogen steeds minder moeite deed zijn steun aan de opstandelingen in Amerika te verbergen. Voor de regering in Londen was de begroeting van de Amerikaanse vlag één van de vele voorbeelden van de trouweloosheid van de Republiek. Het nieuws over de Andrew Doria bereikte Londen via de gouverneur van het naburige St. Kitts, Caister Greathead. (. . .)

Greathead vervatte zijn klachten in een uitvoerige brief aan zijn Nederlandse collega, gedateerd 17 december. In dit schrijven sprak Greathead zijn droefenis uit over het feit dat de oude vriendschapsbanden tussen de Republiek en het Verenigd Koninkrijk onder druk waren komen te staan doordat Nederland doorging ‘Britse onderdanen (. . .) aan te moedigen in hun onrechtmatig en weerspannig gedrag jegens hun moederland.' Dat kon Engeland niet onbeantwoord laten.


(Fragmenten uit hoofdstuk 7 - 'Het eerste saluut' - van De Gouden Rots).




Onder: In 1939 bood president Roosevelt tijdens een bliksembezoek een plaquette aan om Sint-Eustatius te bedanken voor de steun aan de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd.


.


 

.